Te weinig bewijs voor schieten in Oosterhout, verdachte direct vrij

OOSTERHOUT – De 28-jarige man die vorige week in Oosterhout zou hebben geschoten op een bekende van hem, is uit de cel gelaten. De rechter-commissaris in Breda heeft zijn hechtenis maandag geschorst. Dat gebeurde volgens een woordvoerder van de rechtbank omdat er op dit moment  ‘onvoldoende verdenking is’.

De verdachte zou woensdagavond op de Musschenbroekstraat met een pistool hebben geschoten op een 32-jarige man uit Geertruidenberg, maar hebben gemist. Het slachtoffer deed aangifte tegen de verdachte.

Ontkent elke betrokkenheid

Advocaat mr. Wesley Welten zegt dat zijn cliënt elke betrokkenheid ontkent. ,,Er is ook geen wapen gevonden en getuigen geven een ander signalement op. De enige die zijn naam heeft genoemd, is het slachtoffer bij zijn aangifte. Hij beweert dat hij mijn cliënt van vroeger kent, maar mijn cliënt kent hem niet. ”

De verdachte zou volgens de politie na het schieten zijn gevlucht in zijn auto. Later die nacht meldde hij zich bij een politiebureau. ,,Omdat hij van zijn broer had gehoord dat de politie hem zocht. Dan kun je jezelf beter melden”, aldus de advocaat.

De raadsman zegt dat er in het dossier niks staat over een mogelijk motief. Hij zegt dat zijn cliënt geen vaste woon- of verblijfplaats heeft maar  nu bij zijn ouders in Oosterhout verblijft. Het Openbaar Ministerie benadrukt dat de man verdachte blijft van poging tot doodslag en zware bedreiging. Het zegt verder niets over de zaak.

 

Bron: BD.nl


 

Dag vóór huwelijk op straat gezet met baby: Bredanaar (54) spant kort geding aan

BREDA – Woningcorporatie Laurentius dreigt op 6 februari een 54-jarige Bredanaar met een baby van zes maanden op straat te zetten. Reden is dat hij een huurachterstand heeft en de met hem gesloten betalingsregeling niet stipt is nagekomen.

 

De advocaat van de Bredanaar, mr. Wesley Welten, heeft daarom een kort geding aangespannen, dat donderdagmiddag diende.

De huurder heeft een zoontje van zes maanden. Zijn vriendin woont in Indonesië. Ze weet niet of ze van de IND in Nederland mag blijven en hoopt dat dat na het voorgenomen huwelijk het geval zal zijn. De bruiloft staat gepland op 7 februari, om 13.30 uur in de kleine trouwzaal op het stadhuis in Breda. Maar onzeker is dus of het gezin op die dag nog een woning heeft. Bij familie kunnen ze volgens Welten niet terecht.

Schrijnend

Hij noemt de situatie schrijnend, omdat de man aan een ernstige longziekte lijdt, arbeidsongeschikt is, moet leven van een bijstandsuitkering waarvan hij dus ook de baby moet onderhouden.

Bekend is dat de Bredase woningcorporaties zeker niet over één nacht ijs gaan bij een besluit tot ontruiming. De man had in juli vorig jaar een huurachterstand van drieduizend euro. De verhuurder stapte toen naar de kantonrechter om de huurovereenkomst te ontbinden. Op die zitting kwam de Bredanaar niet opdagen. Welten: “Hij zegt dat ie niet wist dat die zitting diende.” De kantonrechter vonniste daarop dat de huurovereenkomst ontbonden mocht worden.

Betalingsregeling

Desondanks sloot Laurentius een betalingsregeling met de huurder. Die hield in dat hij maandelijks duizend euro (300 euro aflossing en 700 euro huur) aan de corporatie zou overmaken. In die regeling uit november 2016 stond nadrukkelijk dat de overeenkomst per direct zou vervallen als de Bredanaar zich daar niet stipt aan zou houden.

En dat was dus het geval. Welten: “Mijn cliënt heeft de huur van december drie dagen te laat betaald en die van januari tien dagen. Maar hij hééft betaald.” Hij vindt het dan ook onterecht dat Laurentius tot de uitzetting over dreigt te gaan.

Laurentius onthoudt zich vanwege de privacy van haar huurders van commentaar, aldus woordvoerster Leontine Klaase.

De rechter doet maandag om 16.00 uur uitspraak.

 

Bron: BN De Stem.nl


 

Woningsluiting door burgemeester tegengehouden

In de editie van BN De Stem van 6 december 2017 stond een leuk artikel met de titel Burgemeesters zijn te gretig met sluiten van ‘drugspanden’, waarin aandacht wordt gevraagd voor het feit dat burgemeesters – wanneer er drugs in een woning worden aangetroffen – te snel naar hun bevoegdheid grijpen om de woning voor – minimaal – drie maanden te sluiten. Dit zonder alle negatieve gevolgen die de sluiting van de woning voor de bewoners heeft in het besluit (goed) mee te wegen.

 

Op 11 december jl. had ik eveneens een zaak waarbij de burgemeester gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid een woning te sluiten. Wat was het geval? Op 27 november 2017 was er in de woning van cliënt, op een zolderkamer en in de badkamer harddrugs aangetroffen. Deze drugs waren een dag eerder door de zoon de woning binnengebracht en naar de zolderverdieping genomen. Op het moment dat de politie de woning binnenviel, heeft de zoon een deel van de harddrugs meegenomen naar de badkamer, met als doel de drugs door het toilet te spoelen. Cliënt, een 80-jaar oude, dementerende man, wist niets van de acties van zijn zoon af. Zijn zoon verbleef ook niet in de woning, hij is zwervend en is op 26 november 2017 bij zijn vader aan komen lopen, met het verzoek om eenmalig in de woning te overnachten.

 

Op 29 november 2017 valt er een brief van de burgemeester op de mat bij cliënt. De burgemeester heeft besloten om de woning voor drie maanden te sluiten. Cliënt krijgt tot 6 december 2017 te 10:00 uur de gelegenheid om zijn woning te ontruimen, daarna zal de gemeente de cilinders van de sloten vervangen, zodat cliënt geen toegang meer kan krijgen tot zijn woning. Omdat er volgens de burgemeester sprake is van ‘zodanige spoedeisendheid’, wordt cliënt geen gelegenheid gegeven om een zienswijze in te dienen. Een kort geding zitting is het enige redmiddel om het besluit van de burgemeester tegen te kunnen houden (juridisch gezegd: om het besluit te schorsen).

 

Op 11 december 2017 vindt de kort geding zitting plaats, waarin ik namens cliënt heb verzocht om het besluit van de burgemeester te schorsen. En met succes! In de uitspraak overweegt de voorzieningenrechter:

 

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester in het bestreden besluit hieraan ten onrechte geen aandacht besteed. Met name is niet onderzocht of aan verzoeker en zijn echtgenote gezondheidsschade wordt toegebracht, indien zij de woning voor drie maanden moeten verlaten. Dat had wel gemoeten, vanwege hun medische situatie en hun leeftijd. Evenmin is onderzocht of voor hen een passende opvang kan worden geboden bij familie, terwijl dit zeker geen vanzelfsprekendheid is. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zullen de persoonlijke omstandigheden van verzoeker en zijn echtgenote maken dat sluiting van de woning onevenredig zal zijn in verhouding met het doel daarvan. De voorzieningenrechter ziet in de bijzondere omstandigheden dan ook aanleiding het bestreden besluit te schorsen”.

 

Cliënt mag dus (voorlopig) in de woning blijven wonen. De burgemeester zal – met de uitspraak van de voorzieningenrechter in het achterhoofd – in de lopende bezwaarprocedure aan de bak moeten mocht hij zich op het standpunt blijven stellen dat de woning voor drie maanden gesloten moet worden. Cliënt en ik zien die procedure in ieder geval met vertrouwen tegemoet.

 

W.A.J.A. Welten

Geven met warme hand; let wel even op de koude kant

Nu de feestdagen bijna voor de deur staan, wordt er in menig gezin weer nagedacht over de schenkingen. Ondanks dat ik de feestvreugde niet wil bederven, is het toch belangrijk om goed na te denken over de wijze van schenken.

 

Op het moment dat een schenking gedaan wordt zonder uitsluitingsclausule, dan valt deze schenking in een gemeenschap van goederen (voor zover deze aanwezig is). Voor huwelijken gesloten vanaf 1 januari 2018 zal zich in beginsel geen probleem voordoen, omdat schenkingen vanaf die datum niet meer in de gemeenschap van goederen vallen. Ook voor die situaties is het wel van belang dat bewijsstukken (betalingsbewijs en dergelijke) bewaard worden.

 

Maar wat nu als je al jaren met de feestdagen schenkingen ontvangt en besluit te gaan scheiden? Wat gebeurt er dan met deze schenkingen?

 

In die situatie is van belang welke stukken nog aanwezig zijn. Zijn er schenkingsakten aanwezig met een uitsluitingsclausule, dan is een schenking snel bewezen. Als er met de gelden van de schenkingen schulden van de gemeenschap zijn voldaan, dan ontstaat er een repriserecht. Dit betekent dat één van de echtgenoten dan een vordering op de gemeenschap heeft. Indien de gemeenschap dan nog een ruim positief saldo heeft, dan kan de vordering vanuit de gemeenschap voldaan worden. Zijn er onvoldoende middelen, dan zal de vordering in beginsel niet geïnd kunnen worden. Is met de schenking een vordering van de andere echtgenoot voldaan, dan kan er een vordering op deze echtgenoot ontstaan.

 

Een dergelijke gang van zaken geldt ook indien voornoemde schenkingsakten niet aanwezig zijn, maar uit de omschrijving van de schenking blijkt dat de schenking buiten de gemeenschap van goederen valt. Bij contante schenkingen is dat wat lastig, maar bij een overboeking kan een dergelijke omschrijving wel vermeld worden.

 

Mocht er niets geregeld zijn, dan is de kans groot dat de schenking in de gemeenschap van goederen valt. Dit is echter vaak niet het gewenste gevolg.

 

Bent u zich er dus tijdig van bewust van de wijze waarop een schenking plaats gaat vinden.

 

L.A.P. van Haperen

Einde partneralimentatie bij samenwoning (artikel 1:160 BW)

In de praktijk komt het geregeld voor dat er na een echtscheiding sprake is van partneralimentatie terwijl de ontvangende partij al geruime tijd een nieuwe relatie heeft en feitelijk samenwoont. Uiteraard heeft de alimentatiegerechtigde er belang bij dat de partneralimentatie blijft doorlopen, wat tot frustratie van de betalende partij leidt.

 

In een dergelijke situatie is het aan de alimentatieplichtige om te bewijzen dat de alimentatiegerechtigde samenwoont als waren zij gehuwd (artikel 1:160 BW). Dit blijkt in de praktijk nog niet zo eenvoudig te zijn. Het benodigde bewijs kan onder meer worden aangeleverd via een rechercherapport. Een nadeel hiervan is dat de kosten van een dergelijk rapport hoog kunnen oplopen. Wie gaat deze kosten betalen?

 

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft zich op 14 september 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:8115) uitgelaten over de vraag wie de kosten van een rechercherapport dient te voldoen. Het Hof heeft het volgende overwogen:

 

“Vooropgesteld wordt dat de marges van in het kader van artikel 1:160 BW door particuliere onderzoeksbureaus gemaakte kosten ruim zijn, mede gelet op de hoge motiveringseisen die gelden om tot een bevestigende beantwoording van de vraag te kunnen komen of er sprake is van ‘een samenleven met een ander als was zij gehuwd’. In dit geval heeft het recherchebureau gebruik gemaakt van een drietal onderzoeksmiddelen, te weten observatie, digitaal onderzoek en onderzoek op locatie – allemaal gebruikelijke onderzoeksmethoden die de nodige tijd vergen. Gelet op de aard van de zaak acht het Hof de in het rapport verantwoorde 50 uren observatie en 10 uren onderzoek op locatie niet buitensporig veel. De observaties zijn een belangrijk onderdeel van het onderzoek geweest en het doen daarvan is nu eenmaal een arbeidsintensieve aangelegenheid. Hetzelfde geldt voor de onderzoeken op twee verschillende locaties.

Het vorenstaande klemt temeer nu V – daar ter zitting expliciet naar gevraagd – niet heeft kunnen aangeven wat in haar ogen een redelijk bedrag zou zijn voor een onderzoek als het onderhavige. V is nog in de gelegenheid gesteld om het onderzoekdossier in te zien op het recherchebureau, maar die kans heeft zij onbenut gelaten. De mogelijk nadelige consequenties daarvan komen voor haar rekening en risico.

V heeft gesteld dat op basis van de waarnemingen van het recherchebureau in april 2015 reeds duidelijk was dat zij en X samenwoonden, zodat het deel van het onderzoek dat betrekking heeft op de periode daarna daarom onnodig is uitgevoerd. V miskent daarbij echter dat enkel gebruik maken van hetzelfde woonadres onvoldoende is om van samenleven als bedoeld in artikel 1:160 BW te kunnen spreken. Naar vaste rechtspraak is daarvoor immers tevens vereist dat sprake is van een duurzame samenleving en het vormen van een economische eenheid, en daarvoor gelden de hoge motiveringseisen zoals hiervoor vermeld. Aldus is niet gebleken dat de door M geclaimde recherchekosten om deze reden onredelijk hoog zouden zijn”.

 

Deze uitspraak kan aanleiding geven om sneller een recherchebureau in te schakelen om een vermoedelijke samenleving in de zin van artikel 1:160 BW aan te tonen. Uiteraard kunt u met ons kantoor vrijblijvend contact opnemen om de mogelijkheden voor een beëindiging van de partneralimentatie te bespreken.

L.A.P. van Haperen

De Hoge Raad houdt vast aan de eis van meerdere schuldeisers voor faillietverklaring

Voor een schuldeiser is niets zo frustrerend als het niet kunnen incasseren van een vordering op een debiteur. Dit geldt des te meer, indien een schuldeiser eerst lang heeft moeten procederen om een veroordelend vonnis te krijgen, en vervolgens de conclusie moet trekken dat er geen verhaalsmogelijkheden meer zijn.

 

In dergelijke scenario’s wordt in de praktijk vaak gedreigd of overgegaan tot indiening van een faillissementsaanvraag.

 

Voor toewijzing van een faillissementsaanvraag gelden drie vereisten:

 

  1. er moet summierlijk blijk worden gegeven van het vorderingsrecht;
  2. er moeten meerdere schuldeisers zijn (pluraliteitsvereiste);
  3. de schuldenaar moet opgehouden hebben met betalen.

 

Onlangs heeft een advocaat van een schuldeiser ten overstaan van de Hoge Raad betoogt dat voor het uitspreken van een faillissement slechts heeft te gelden dat er sprake moet zijn van een toestand waarin de schuldenaar is opgehouden te betalen. In die situatie is het immers duidelijk dat de vordering van de schuldeiser niet kan en zal worden voldaan.

 

De Hoge Raad was van oordeel dat het zogeheten pluraliteitsvereiste moet worden gehandhaafd.* De Hoge Raad overwoog daartoe dat het pluraliteitsvereiste haar rechtvaardiging vindt in het gegeven dat het faillissement ten doel heeft het vermogen te verdelen onder de gezamenlijke schuldeisers. Wanneer een schuldenaar maar één schuldeiser heeft, dan kan het faillissement niet dienen als ‘gezamenlijke verhaalsprocedure’.

 

Een schuldeiser zal zijn individuele verhaalsacties moeten starten teneinde zijn vordering geïncasseerd te krijgen. Als de debiteur geen activa heeft, dan zal er geen verhaal worden geboden en staat de schuldeiser met lege handen.

 

Conclusies:

 

voor een faillissementsaanvraag zal een schuldeiser minimaal één steunvordering moeten hebben ten bewijze van de pluraliteit van schuldeisers.

 

* Hoge Raad 24 maart 2017, ECLI:NL:HR2017:488

 

Mr. Otto Lenselink

 

Breda, augustus 2017

Gemeenschap van goederen per 1 januari 2018

Voor een huwelijk gesloten voor 1 januari 2018 is de gemeenschap van goederen van toepassing, tenzij voorafgaande aan het huwelijk andere afspraken zijn gemaakt bij de notaris en deze afspraken zijn neergelegd in een akte van huwelijkse voorwaarden. Dit zal vanaf 1 januari 2018 anders zijn. Vanaf dat moment is er sprake van een beperkte gemeenschap van goederen. Echtgenoten kunnen er voor kiezen om voorafgaande aan het huwelijk de (volledige) gemeenschap van goederen van toepassing te laten. Daarnaast kunnen zij huwelijkse voorwaarden laten opmaken.

 

Wat is het verschil tussen de beperkte gemeenschap van goederen en de (volledige) gemeenschap van goederen?

 

Het belangrijkste verschil is gelegen in de gevolgen voor de goederen en schulden welke zijn ontvangen of ontstaan voorafgaande aan het huwelijk. Dit geldt dus voor speelgoed uit de kindertijd, cd’s en dergelijke, maar ook voor bijvoorbeeld een studieschuld. In de (volledige) gemeenschap van goederen vallen deze schulden en goederen in de gemeenschap. Bij de beperkte gemeenschap van goederen zijn deze schulden en goederen uitgezonderd van de gemeenschap. Ontvangsten vanuit een nalatenschap of schenking, ook als hier geen uitsluitingsclausule aan is verbonden, vallen per 1 januari 2018 niet meer in de gemeenschap.

 

Het verleden leert ons dat echtgenoten zich tijdens het huwelijk niet of nauwelijks iets aantrekken van de verschillende vermogens (privévermogens partners en gemeenschapsvermogen) waardoor de vermogens zich gaan ‘vermengen’. Dit is en blijft ook na 1 januari 2018 een bron van conflicten. Bij het einde van het huwelijk zal een discussie ontstaan over de vraag wie eigenaar is van de diverse goederen, uit welk vermogen de goederen zijn betaald en hoe er over en weer met elkaar ‘afgerekend’ moet worden. Om deze vragen te kunnen beantwoorden, is een goede financiële administratie noodzakelijk. Deze administratie ontbreekt vaak of is niet sluitend, waardoor er bewijsproblemen gaan ontstaan. Wie bij een echtscheiding stelt dat diverse goederen van hem/haar zijn, zal dat moeten aantonen. Kan dat niet worden aangetoond, dan bestaat het risico dat die goederen worden gerekend tot het gemeenschapsvermogen dat tussen de ex-echtgenoten moet worden verdeeld.

 

Voor deze blog gaat het te ver om alle verschillen te bespreken (vergoedingsrechten, de onderneming, verhaal van een privéschuld en de draagplicht hiervan e.d.).

 

Mocht u omtrent dit onderwerp en/of de verdere verschillen vragen hebben, dan kunt u vrijblijvend contact opnemen met ons kantoor om te bekijken wat uw positie is.

 

L.A.P. van Haperen

Geldlening of schenking?

In de praktijk komt het met regelmaat voor dat geld uitgeleend wordt aan vrienden, familie of bekenden. Dit noemen we ‘onderhands lenen’. Het is fijn als je hiermee anderen kunt helpen. Het is echter van groot belang om hier duidelijke schriftelijke afspraken over te maken.

 

Waarover dienen onder meer afspraken te worden gemaakt:

–    Welk bedrag wordt er geleend?

–    Hoe lang mag gedaan worden over de terugbetaling van dit bedrag?

–    Welk bedrag wordt per keer terugbetaald?

–    Is er sprake van rente, en zo ja, welk percentage?

 

Het is verstandig om, ondanks een eventuele goede vertrouwensband, deze afspraken schriftelijk neer te leggen in een contract. Uiteraard kunt u, indien gewenst, hiervoor onze hulp inschakelen.

 

Maar wat te doen als er geen contract is opgemaakt en er discussie bestaat over deze lening? In die situatie is het de vraag wat er feitelijk is afgesproken en wat u daarvan nog kunt bewijzen. Een mondelinge overeenkomst is een rechtsgeldige overeenkomst, maar is moeilijk te bewijzen. Kunt u nog bewijzen wat de afspraken zijn geweest? En wat als de ander ontkent dat het een geldlening betrof en stelt dat het om een schenking gaat? Deze vragen zijn niet eenvoudig te beantwoorden.

 

Een en ander zal mede afhangen van de betreffende feiten en omstandigheden.

 

Neem in een dergelijke situatie vrijblijvend contact op met ons kantoor om te bekijken wat uw positie in deze is.

 

 

L.A.P. van Haperen

Wetsvoorstel tegen te lange betalingstermijnen aangenomen door Tweede Kamer.

Op 14 februari 2017 is het wetsvoorstel ‘uiterste betalingstermijn van zestig dagen voor grote ondernemingen’ aangenomen door de Tweede Kamer.

 

Dit wetsvoorstel verbiedt grootbedrijven om in het handelsverkeer met zelfstandig ondernemers (ZZP’ers) en het midden- en kleinbedrijf (MKB) betalingstermijnen overeen te komen van meer dan 60 dagen. Het wetsvoorstel is een verscherping van een in 2013 ingevoerde wet.

 

Met het wetsvoorstel wordt beoogd de ongelijke onderhandelingspositie te compenseren van de zelfstandige ondernemer en het MKB ten opzichte van de grootbedrijven.

 

Onder grootbedrijf wordt verstaan een onderneming met meer dan 250 werknemers en een omzet van meer dan 40 miljoen.

 

Veel bedrijven uit het MKB zijn sterk afhankelijk zijn van één of meer grote opdrachtgevers. Betalingstermijnen van 90 of zelfs 120 dagen zijn in de praktijk niet ongebruikelijk.

 

Het hanteren van dergelijke lange betalingstermijnen betekende dat deze bedrijven uit het midden- en kleinbedrijf de facturen zelf dienden voor te financieren met alle kosten en risico’s van dien. Hierdoor kwamen MKB’ers vaak in liquiditeitsproblemen, soms gevolgd door een faillissement dat eenvoudig voorkomen had kunnen worden indien er een redelijke betalingstermijn in acht was genomen.

 

De standaard betalingstermijn van 30 dagen blijft gehandhaafd in de wet. Het verbod om een langere betalingstermijn dan 60 dagen aan te gaan is nieuw. Dit geldt ook voor de sanctie indien het groothandelsbedrijf besluit om betalingstermijnen op de te nemen van meer dan 60 dagen in de overeenkomsten mat de leveranciers. In dat geval wordt deze betalingstermijn nietig verklaard en van rechtswege omgezet in een betalingstermijn van 30 dagen. Het grootbedrijf is dan aan de MKB’er de wettelijke handelsrente verschuldigd indien de factuur na 30 dagen wordt voldaan.

 

De aanscherping van deze wet geldt alleen in de specifieke handelsrelatie tussen een grootbedrijf in haar hoedanigheid van afnemer en een MKB-bedrijf of zelfstandig ondernemer in de hoedanigheid van leverancier of dienstverlener.

 

Het ligt in de lijn der verwachting dat het wetsvoorstel in de loop van 2017 ook wordt aangenomen door de Eerste Kamer, waarna deze aanscherping van de wet een feit zal zijn. Ook voorafgaand aan de invoering van deze wetswijziging is het nuttig om hiervan op de hoogte te zijn. Ik verwacht dat namelijk dat ‘groothandelsbedrijven’ die in de toekomst compliant willen zijn, een maximale betalingstermijn van 60 dagen alvast zullen respecteren.

 

Conclusie: er is wetgeving in de maak die paal en perk zal stellen aan betalingstermijnen van 60 dagen en langer in de handelsrelaties tussen de grootbedrijven en hun leveranciers uit het midden- en kleinbedrijf.

 

Mijn inziens is dit een goede ontwikkeling. In het verleden zijn te vaak gezonde bedrijven onnodig op de fles gegaan, door de onredelijk lange betalingstermijnen.

 

 

Mr. Otto Lenselink

 

Breda, maart 2017

Scheidende Nederbelgen

In de grensregio komt het met regelmaat voor dat Nederlanders verhuizen naar België. De vraag is welke rechter bevoegd is wanneer Nederbelgen willen scheiden? Welk recht is van toe­passing op de echtscheiding en de gevraagde nevenverzoeken (verdeling/verrekening, ali­men­tatie, e.d.)?

Diverse verdragen en verordeningen zijn in dit kader van belang, hetgeen een juiste toe­pas­sing hiervan vaak lastig maakt. Te meer als er meerdere verdragen of verordeningen van toe­pas­sing zijn op eenzelfde onderwerp. Daarbij is niet ieder land lid van een bepaalde ver­or­de­ning of verdrag, waardoor het van groot belang is om een echtscheiding (en de neven­voor­zieningen) vanaf het begin af aan goed te begeleiden. Gebeurt dit niet op een juiste wijze, dan kunt u achteraf nog wel eens voor een ongewenste ‘verassing’ komen te staan.

Hieronder zal een korte en beperkte uitleg worden gegeven van het verzoek tot echtscheiding en mogelijke nevenvoorzieningen.

 

Echtscheiding

Bij Nederlandse echtgenoten is de Nederlandse rechter altijd bevoegd om te oordelen over een ver­zoek tot echtscheiding. Daarnaast kan ook de Belgische rechter bevoegd zijn. De rechter bij wie het verzoek tot echtscheiding als eerste is inge­diend, zijnde de Nederlandse of Belgische rechter, zal de zaak inhoudelijk behandelen. Het is dus van groot belang om snel te schakelen.

De Nederlandse rechter zal het verzoek tot echtscheiding naar Nederlands recht beoordelen. De Belgische rechter zal het verzoek tot echtscheiding naar Belgisch recht beoordelen.

 

De kinderen (gezag, omgang en kinderalimentatie)

Bij een echtscheiding wil vaak één van partijen terug naar Nederland. Op het moment dat er min­derjarige kinderen betrokken zijn, kan een dergelijke verhuizing lastig zijn. Als beide ouders het gezag hebben, hetgeen bij een huwelijk het geval is, dan zal de andere ouder toe­stemming voor deze verhuizing moeten geven. Indien deze toestemming wordt geweigerd, dan kan een rechter om vervangende toestemming worden gevraagd. De rechter van de ‘ge­wo­ne verblijfplaats’ van de kinderen is in die situatie bevoegd. Bij samenlevers kan dit weer anders liggen, aangezien het gezag dan naar Nederlands recht niet van rechtswege geregeld is. Naar Belgisch recht hebben ouders die samenleven van rechtswege het gezag. Dit blijft ook na de verbreking van de samenleving in stand. Een verhuizing zonder toestemming van de gezagdragende ouder kan worden aangemerkt als een ‘ongeoorloofde overbrenging’ (kin­der­ont­voering).

 

Indien een partner zonder toestemming met de kinderen verhuist, dan is het van groot belang dat er door achterblijvende partner snel actie wordt ondernomen. Vaak is de rechter van de ‘ge­wone verblijfplaats’ van de kinderen nog bevoegd om over de kinderen te oordelen, aan­ge­zien deze verblijfplaats niet door een simpele overbrenging wijzigt. Naarmate er meer tijd ver­loopt, wordt de discussie lastiger. Als kinderen naar school gaan in de nieuwe woonplaats, daar hun sociale contacten opbouwen e.d. is er steeds meer voor te zeggen om de rechter van de nieuwe verblijfplaats bevoegd te achten. Dit heeft ook weer gevolgen voor het toe­pas­se­lijk zijnde recht.

 

De ‘gewone verblijfplaats’ is eveneens van belang bij de bepaling van de bevoegdheid bij een verzoek tot de omgangsregeling, de kinderalimentatie en het hierop van toepassing zijnde recht. Op dit punt kan de Belgische wetgeving in meerdere opzichten afwijken van de Neder­landse.

 

Partneralimentatie

Ook bij dit onderdeel speelt de ‘gewone verblijfplaats’ weer een belangrijke rol. Bij een ver­zoek tot partneralimentatie is bevoegd de rechter waar de verweerder zijn gewone ver­blijf­plaats heeft en/of waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft. Daarbij kan de rechter die bevoegd is zich uit te laten over het verzoek tot echtscheiding ook bevoegd zijn voor het verzoek tot partneralimentatie.

 

Bij een later verzoek tot wijziging van de partneralimentatie dan wel een nieuw verzoek tot op­legging van partneralimentatie gelden dezelfde bevoegdheidsregels als hiervoor geschetst.

Voor de bepaling van het van toepassing zijnde recht is wederom de gewone verblijfplaats van partijen van belang. Bij een wijziging van de gewone verblijfplaats, wijzigt het toe­pas­se­lijke recht voor de toekomst mee. Uitzondering hierop kan zijn dat een rechter van een ander land nauwer met het huwelijk is verbonden dan de aangezochte rechter.

 

Aangezien de Belgische wetgeving op dit onderdeel een groot verschil vertoont met de Neder­landse wetgeving, is het ook hier weer belangrijk om tijdig actie te ondernemen. Of juist niet, naar gelang de wensen en omstandigheden zijn.

 

Huwelijksvermogensrecht

Op dit punt is een nieuwe Europese Verordening in de maak. De verwachting is dat deze pas per 29 januari 2019 in werking zal treden.

In Nederland wordt het internationaal huwelijksvermogensrecht gezien als een van de meest complexe onderdelen van een internationale echtscheiding. Dit wordt met name veroorzaakt doordat de regels de afgelopen jaren diverse malen zijn veranderd en dat er zelfs een periode is geweest waarbij onzeker was hoe de heersende regels luidden. Het moment van de hu­we­lijks­sluiting is bepalend voor het toepasselijke huwelijksvermogensrecht en in principe voor de gehele duur van het huwelijk.

 

Er zijn dermate veel uitzonderingen en mogelijkheden aanwezig dat het voor deze blog niet zinvol is om hier een verdere uitleg over te geven. Voor partijen is het in ieder geval van groot belang dat zij zich ook ten aanzien van dit onderwerp goed laten voorlichten. Belangrijk is om goed te bekijken wat wel of niet in het kader van het huwelijksvermogensrecht aan de be­tref­fende rechter kan worden voorgelegd. In sommige situaties is het zelfs verstandiger om op dit punt geen nevenvoorziening te vragen, maar een nieuwe procedure te starten.

 

L.A.P. van Haperen