Rechten en plichten bij (jonge) kinderen

Rechten en plichten bij (jonge) kinderen

Wat een bijzondere en mooie gebeurtenis zou moeten zijn, verandert plots op het moment dat u uit elkaar gaat. Er volgt een onzekere periode met veel ups en downs, terwijl alle aandacht uit zou moeten gaan naar de zwangerschap en de bevalling. Wat zijn rechten en plichten bij (jonge) kinderen?

Niet alleen de moeder, maar ook de vader heeft recht op omgang met de baby

Rechten moeder en vader

Niet alleen de moeder, maar ook de vader heeft recht op omgang met de baby. Van belang is, zeker bij kleine kinderen, dat vaders het kindje met regelmaat zien. Ouders zullen hierover goede afspraken moeten maken. In mijn eerdere blog ‘ouderschap en samenwoners’ heb ik al uitleg gegeven over het ouderlijk gezag. Moeders hebben na de geboorte automatisch het gezag over een kind. Voor vaders ligt dat anders. Zijn ouders getrouwd, dan heeft vader ook automatisch het gezag. In die situatie hebben vader en moeder dezelfde rechten plichten. Zijn ouders niet getrouwd dan zal hiervoor nog het een en ander geregeld moeten worden (inschrijving in het gezagsregister).

Opvoeding door beide ouders

Beide ouders hebben niet alleen recht om het kindje samen op te voeden maar zijn hiertoe ook verplicht. Vader heeft ook het recht, en moeder dus de plicht, om geïnformeerd te worden en te worden geraadpleegd bij belangrijke zaken aangaande het kindje. Het kindje heeft recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.

Regelmatig contact

Met name bij baby’s is de hechting met de ouders erg belangrijk en het eerste jaar van een kind is hiervoor zeer bepalend. Een goede hechting met vader en moeder is belangrijk voor onder andere de ontwikkeling bij het kind van een positief zelfbeeld. Als de hechting slecht verloopt, lopen kinderen meer risico’s op moeilijkheden op school en bij het aangaan van relaties/vriendschappen. Het is dus belangrijk dat beiden ouders beseffen dat een kind er niet bij is gebaat om geen band te kunnen opbouwen met de andere ouder.

Om tot een goede hechting te komen is het van belang dat beide ouders de baby met regelmaat zien en verzorgen. Hechting ontstaat met name bij het verschonen, voeden, knuffelen, troosten en voeden van de baby.  Om deze reden is het voor kleine kinderen beter om beide ouders meerdere keren in de week te zien dan slechts éénmaal per twee weken een weekend. De frequentie is dus belangrijker dan de duur van het contact.

Opbouw contact jonge kinderen

Als de baby zich goed heeft gehecht, is het weer tijd voor het loslaten van het kindje. Er moet dan gelegenheid en ruimte zijn om zelfstandig dingen te onderzoeken en dat kan alleen als een kindje zich veilig voelt. Concreet kan voor jonge kinderen aan de volgende opbouw worden gedacht:

0 tot 9 maanden

Enkele keren per week een paar uur naar de andere ouder. Als ouders goed met elkaar kunnen communiceren, kan dit contact ook plaatsvinden bij de ouder waar het kind woont.

9 maanden tot 1,5 jaar:

Regelmatig contact is belangrijk waarbij gedacht kan worden aan iedere 3 tot 4 dagen.

1,5 tot 3 jaar:

Contact van 2 of 3 dagen waarbij ook overnachtingen kunnen plaatsvinden.

3 tot 5 jaar:

Uitbreiding van de contacten van 2 of 3 dagen met overnachting, waarbij gedacht kan worden aan co-ouderschap.

5 tot 12 jaar:

Een duidelijke en gestructureerde regeling. Contact kan tussendoor plaatsvinden via de telefoon en e-mail.

Opbouwende regeling

Het is voor uw kindje het prettigst als ouders samen een (opbouwende) regeling kunnen opstellen. Mocht u hierbij hulp of advies nodig hebben, dan kunt u uiteraard voor een vrijblijvend adviesgesprek met kantoor contact opnemen.

Auteur: Linda van Haperen

Indexatie alimentatie

Indexatie alimentatie

Ieder jaar wordt de alimentatie een stukje hoger, de zogenoemde indexering. De wetgever heeft bepaald dat iedere alimentatiebetaler verplicht is deze verhoging te betalen (tenzij partijen dit hebben uitgesloten). De gedachte achter de indexatie is gelegen in de situatie dat het salaris ieder jaar stijgt, maar ook de kosten van het levensonderhoud. Het percentage waarmee de bijdrage wordt verhoogd, wordt jaarlijks door de overheid vastgesteld.

Indexeringspercentage

Voor het jaar 2019 is het indexeringspercentage vastgesteld op 2%. Dit betekent dat de bijdrage (alimentatie) met ingang van 1 januari 2019 met 2% verhoogd moet worden.

Van belang is dat de indexering niet automatisch plaatsvindt. Het is belangrijk om dit als betaler zelf in de gaten te houden, omdat de indexatie met terugwerkende kracht (tot vijf jaar) kan worden gevorderd.

Partijen mogen de indexatie (voor een bepaalde periode of in het geheel) uitsluiten. Hierbij is wel van belang dat dat schriftelijk gebeurt. Dit kan interessant zijn als het loon niet jaarlijks meestijgt met het loon-/prijspeil. Daarnaast kunnen partijen een andere vorm van indexatie afspreken. Al met al voldoende reden om hierbij stil te staan bij het maken van afspraken rondom de kinder- en/of partneralimentatie. Een rechter kan eveneens worden gevraagd om de indexatie uit te sluiten, al komt dit niet vaak voor.

Vragen over de indexatie van alimentatie?

Mocht u benieuwd zijn of wij in uw situatie wat voor u kunnen betekenen, dan kunt u uiteraard voor een vrijblijvend adviesgesprek contact opnemen met kantoor. Voor het berekenen van de alimentatiebijdrage met indexatie kunt u kijken op de website van het LBIO (www.lbio.nl).

Linda van Haperen

Streep door 12 jaar partneralimentatie

Na de eerste poging van de politiek in 2015 om de duur van de partneralimentatie te wijzigen, is er eindelijk een vervolg op deze discussie. In eerste instantie is het plan om de partneralimentatie te wijzigen afgewezen, omdat veel partijen hier kritiek ophadden. Om deze reden is er een nieuw eenvoudiger wetsvoorstel aangekondigd. De Tweede Kamer heeft inmiddels ingestemd met het wetsvoorstel. Het is nu wachten op de Eerste Kamer. Indien ook de Eerste Kamer instemt met het wetsvoorstel, dan zal deze waarschijnlijk ingaan per 1 januari 2020!

Wat houdt dit nieuwe voorstel in?

De huidige maximale termijn van 12 jaar wordt teruggebracht naar 5 jaar. De gedachte is om de duur van de partneralimentatie gelijk te trekken aan de helft van het aantal huwelijksjaren. Bent u bijvoorbeeld 2 jaar getrouwd geweest, dan zal er 1 jaar partneralimentatie betaald moeten worden.

Op deze regel zijn een drietal uitzonderingen:

1. Kinderen

Als er kinderen geboren zijn, kan de duur van de partneralimentatie gelijk worden gesteld tot het moment dat het jongste kind 12 jaar is geworden;

2. AOW-leeftijd

Als een huwelijk langer dan 15 jaar geduurd heeft, en op het moment van de scheiding binnen 10 jaar de AOW-leeftijd bereikt wordt, kan tot de AOW-leeftijd aanspraak gemaakt worden op partneralimentatie.

3. 50 jaar en ouder

Wie ouder is dan 50 jaar en langer dan 15 jaar getrouwd was, kan aanspraak maken op 10 jaarpartneralimentatie.

Helaas geldt het nieuwe voorstel alleen voor toekomstige scheidingen. Oude alimentatieverplichtingen blijven ongewijzigd bestaan. De verwachting is dat, indien het wetsvoorstel door de Eerste Kamer daadwerkelijk goedgekeurd wordt, de wijziging per 1 januari 2020 in gaat. Verder moet er rekening mee worden gehouden dat kinderalimentatie altijd voor gaat op partneralimentatie. Is er na kinderalimentatie geen ruimte meer voor partneralimentatie, dan houdt het op.

De Tweede Kamer zal op korte termijn over dit voorstel gaan stemmen. Mocht de Tweede Kamer akkoord gaan met dit wetsvoorstel dan zal ook de Eerste Kamer haar stem nog uit moeten brengen. Het is dus nog even afwachten wat het uiteindelijke resultaat van de huidige discussie zal zijn.

Partijen mogen uiteraard in onderling overleg nu al afwijken van de 12 jaarstermijn. Partijen moeten het hier dan wel over eens zijn. Een uitgelezen kans om samen in mediation op dit punt overleg te voeren. Mocht u hier samen geen afspraken over kunnen maken, dan is het belangrijk om te weten dat een rechter nog altijd erg voorzichtig is in de verkorting van de partneralimentatietermijn.

Mocht u hier nog verdere vragen over hebben, dan kunt u uiteraard vrijblijvend contact opnemen.

mr. L.A.P. van Haperen

 

Wat kun je doen als je je kleinkind niet mag zien?

Wat kun je doen als je je kleinkind niet mag zien?

Als opa en/of oma heeft u iedere week op de kleinkinderen gepast, maar na de scheiding van de ouders mag u het kleinkind niet meer zien. Helaas komt deze situatie vaker voor. Uit onderzoek van TNS NIPO blijkt dat bij 53% van de grootouders het contact met de kleinkinderen na de echtscheiding duidelijk anders wordt. Daarom behandelen we de vraag: Wat kun je doen als je je kleinkind niet mag zien?

Wat kun je doen als je je kleinkind niet mag zien

Wat als dit verleden tijd is? Als u uw kleinkind niet meer mag zien?

In het leven van de kinderen spelen opa’s en oma’s vaak een belangrijke rol. Voor kinderen is het dan ook ontzettend belangrijk dat er contact blijft. Meestal blijven de grootouders na de echtscheiding een stabiele en veilige factor voor de kinderen. Juist in de moeilijke periode van een scheiding hebben kinderen behoefte aan een luisterend oor en kunnen zij extra aandacht goed gebruiken. Daarnaast kunnen grootouders kinderen op tal van manieren helpen bij de verwerking van deze heftige periode.

Geen omgangsrecht tussen grootouders en kleinkinderen

Helaas voorziet de Nederlandse wetgeving niet in een omgangsrecht tussen grootouders en kleinkinderen. Dit betekent niet dat u met lege handen staat! Ouders zullen met elkaar afspraken moeten maken over de kinderen. Deze afspraken kunnen worden neergelegd in een zogenoemd ouderschapsplan. In dit plan worden vaak ook afspraken gemaakt over het contact van de kinderen met andere familieleden.

Omgangsregeling vragen aan rechter

Ondanks dat er geen wettelijk recht op omgang met de kleinkinderen bestaat, kunnen grootouders aan de rechter vragen om een omgangsregeling vast te stellen. Op basis van vaste jurisprudentie is van belang dat grootouders kunnen aantonen dat zij  een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ met het kind hebben. Hiervan kan sprake zijn als er al voorafgaande aan de scheiding structureel en regelmatig contact was met de kleinkinderen (bijvoorbeeld één dag per week oppassen).

De rechter zal een afweging maken tussen het belang van het betreffende kind en de grootouders. Het belang van het kind staat altijd voorop.

Vrijblijvend adviesgesprek

Mocht u benieuwd zijn of wij in uw situatie wat voor u kunnen betekenen, dan kunt u uiteraard voor een vrijblijvend adviesgesprek met kantoor contact opnemen. Onze advocaten leggen zich namelijk toe op het personen- en familierecht.

Auteur: Linda van Haperen

Verbleken behoefte

Verbleken behoefte – verbleking van de behoefte

Bij het onderwerp partneralimentatie binnen het personen en familierecht horen diverse lastig definieerbare begrippen, waaronder ‘verbleken van de behoefte’.

Op het moment dat er sprake is van een behoefte aan partneralimentatie, dat wil zeggen een bedrag dat nodig is om in het eigen levensonderhoud te voorzien waarbij rekening gehouden wordt met de levensstijl tijdens het huwelijk, wordt door de andere partner nog al eens beroep gedaan op verbleking van de behoefte.

De behoefte kan door tijdsverloop na de echtscheiding verbleken. Hiermee wordt bedoeld dat de behoefte als gevolg van het verstrijken van jaren na de echtscheiding minder kan worden of zelfs helemaal verdwenen kan zijn. Dat een beroep op verbleking in de rechtspraak niet snel aanvaard wordt, blijkt onder meer uit de recente uitspraak van de Hoge Raad van 15 juni 2018 en de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juni 2018. Volgens het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is een enkel tijdverloop van negen jaar niet voldoende om aan te nemen dat de behoefte verbleekt is. Het gewend raken aan een lagere inkomenssituatie is onvoldoende om aan te nemen dat de betreffende partner geen noodzaak meer heeft bij een eerder opgelegde bijdrage in de kosten van levensonderhoud (partneralimentatie).

Uit de recente rechtspraak kunnen we dus opmaken dat er, wil er sprake zijn van verbleking van de behoefte, er meer aan de hand moet zijn dan alleen verloop van tijd.

Verbleking van de behoefte – bijzondere omstandigheden

Onder bijzondere omstandigheden kan wel degelijk sprake zijn van verbleking van de behoefte. Hierbij kan gedacht worden aan de duur van het huwelijk, hoe partijen invulling hebben gegeven aan de huwelijkse jaren, de aanwezigheid van kinderen en het gedrag van de  alimentatiegerechtigde. Daarnaast zijn er nog diverse andere gronden om de partneralimentatie te wijzigen.

Mocht u benieuwd zijn of in uw situatie er redenen aanwezig zijn om de partneralimentatie opnieuw te laten beoordelen, dan kunt u uiteraard voor een vrijblijvend adviesgesprek met kantoor contact opnemen.

Linda van Haperen

Ouderschap en samenwoners

Voor samenwoners is het juridisch ouderschap niet automatisch door de wet geregeld. Tijdens de periode van samenleven levert dit niet of nauwelijks problemen op omdat ouders dan nog goed in staat zijn om samen beslissingen te nemen. Het probleem doet zich vaak pas voor als ouders uit elkaar zijn of gaan.

 

Bij een huwelijk en een geregistreerd partnerschap zijn de erkenning en het gezamenlijk gezag vanuit de wet geregeld. Vanuit die positie zijn ouders in juridische zin vanaf de geboorte van het kind gelijkwaardig.

 

Van belang is dat er een drietal verschillende vormen van ouderschap bestaan:

–   biologische ouder;

–   juridische ouder;

–   verzorger/voogd.

 

Deze drie vormen hoeven niet noodzakelijkerwijs samen te vallen. Zo kan het zijn dat een juridisch ouder of de verzorger niet de biologische ouder is.

 

Bij samenwoners is het van belang dat een moeder direct bij de geboorte al juridisch moeder is en het gezag over het kindje heeft. Voor de andere ouder ligt dit anders. Deze moet, om voor de wet als juridisch ouder te worden gezien, nog actie ondernemen. Als moeder toestemming geeft voor de erkenning en de partner aan de overige eisen voldoet, dan kan de erkenning plaatsvinden bij de gemeente (dit kan ook al tijdens de zwangerschap). Geeft moeder geen toestemming, dan kan de rechter gevraagd worden om vervangende toestemming te geven waarna het kindje mogelijk alsnog erkend kan worden.

 

Als de erkenning geregeld is, dient er vervolgens nog een actie te worden ondernomen om het gezamenlijk gezag te verkrijgen. Dit kan heel simpel geregeld worden de ouders kunnen samen digitaal het gezamenlijk gezag aanvragen via de website van de www.rechtspraak.nl. Mocht moeder niet mee willen werken, dan kan ook hier de rechter weer uitkomst bieden als deze het gezamenlijk gezag uitspreekt. Als het gezag geregeld is zijn ouders voor de wet in beginsel als ouder gelijkwaardig.

 

Een en ander lijkt veel werk, maar is in de praktijk (als beide ouders het eens zijn) snel geregeld. De ervaring leert dat het beter is om deze zaken al tijdens de relatie te regelen en niet pas achteraf. Dat kan een hoop ellende voorkomen.

 

Tot slot zijn er nog diverse mogelijkheden omtrent het vernietigen van de erkenning en het beëindigen van het gezamenlijk gezag. Mocht u daarover vragen hebben, of over de mogelijkheden om de rechter te benaderen omtrent de vervangende toestemming voor de erkenning of het verzoek omtrent gezamenlijk gezag, dan kunt u uiteraard vrijblijvend met mij contact opnemen.

 

 

L.A.P. van Haperen

Geef kinderen wortels om te groeien en vleugels om te vliegen

De belangrijkste taak voor ouders is het geven van wortels en vleugels aan hun kinderen. Het geven van wortels kan door de kinderen te laten weten dat je onvoorwaardelijk van ze houdt, wat er ook zal gebeuren. Het op eigen benen laten staan, de zogenaamde vleugels, is een lastiger onderdeel.

Op het moment dat ouders gaan scheiden, kan dit gevolgen hebben voor de wortels van een kind. Als er sprake is van een scheiding, dan kan het lastig zijn om je bezig te houden met de wortels en vleugels van de kinderen. Het is op voorhand niet te voorspellen hoe een kind reageert op de echtscheiding. Het ene kind klapt dicht en een ander kind wordt juist weer erg aanhankelijk.

Voor ouders is het van belang om zich te verplaatsen in hun kinderen. De wortels van de kinderen worden opeens bedreigd. Vaak hebben zij allerlei vragen: ‘Gaat mama ook bij mij weg?’, ‘Het is vast mijn schuld?’, ‘Ga ik papa nog wel zien?’, ‘Waar ga ik wonen?’. Het is dus niet zo gek dat kinderen in de war zijn en/of zich schuldig of gekwetst voelen.

Hoe ga je hier als ouders het beste mee om? Belangrijk is om de echtscheidingsperiode zo kort mogelijk te laten duren en als ouders samen de beslissingen aangaande de kinderen te nemen. Om dit te bereiken, kan een mediator handvatten geven en dit proces begeleiden.

Tijdens het mediationtraject is het de bedoeling dat beide echtgenoten de partnerrol loslaten, maar dat zij eveneens de ouderrol verder samen in gaan vullen. Dat is niet altijd even makkelijk. Een mediator kan in dit proces een hele belangrijke rol spelen. Dit alles om te voorkomen dat de kinderen ontworteld raken en dit gevolgen kan hebben voor hun (toekomstige) vleugels.

Ons kantoor biedt de mogelijkheid om samen in mediation te gaan. Zowel Marcel van Dooren als Linda van Haperen kunnen optreden als mediator. U bent uiteraard samen welkom voor een vrijblijvend intakegesprek (half uur). Ook voor het verkrijgen van nadere informatie omtrent het mediationtraject kunt u contact met ons kantoor opnemen.

 

Linda van Haperen

Geven met warme hand; let wel even op de koude kant

Nu de feestdagen bijna voor de deur staan, wordt er in menig gezin weer nagedacht over de schenkingen. Ondanks dat ik de feestvreugde niet wil bederven, is het toch belangrijk om goed na te denken over de wijze van schenken.

 

Op het moment dat een schenking gedaan wordt zonder uitsluitingsclausule, dan valt deze schenking in een gemeenschap van goederen (voor zover deze aanwezig is). Voor huwelijken gesloten vanaf 1 januari 2018 zal zich in beginsel geen probleem voordoen, omdat schenkingen vanaf die datum niet meer in de gemeenschap van goederen vallen. Ook voor die situaties is het wel van belang dat bewijsstukken (betalingsbewijs en dergelijke) bewaard worden.

 

Maar wat nu als je al jaren met de feestdagen schenkingen ontvangt en besluit te gaan scheiden? Wat gebeurt er dan met deze schenkingen?

 

In die situatie is van belang welke stukken nog aanwezig zijn. Zijn er schenkingsakten aanwezig met een uitsluitingsclausule, dan is een schenking snel bewezen. Als er met de gelden van de schenkingen schulden van de gemeenschap zijn voldaan, dan ontstaat er een repriserecht. Dit betekent dat één van de echtgenoten dan een vordering op de gemeenschap heeft. Indien de gemeenschap dan nog een ruim positief saldo heeft, dan kan de vordering vanuit de gemeenschap voldaan worden. Zijn er onvoldoende middelen, dan zal de vordering in beginsel niet geïnd kunnen worden. Is met de schenking een vordering van de andere echtgenoot voldaan, dan kan er een vordering op deze echtgenoot ontstaan.

 

Een dergelijke gang van zaken geldt ook indien voornoemde schenkingsakten niet aanwezig zijn, maar uit de omschrijving van de schenking blijkt dat de schenking buiten de gemeenschap van goederen valt. Bij contante schenkingen is dat wat lastig, maar bij een overboeking kan een dergelijke omschrijving wel vermeld worden.

 

Mocht er niets geregeld zijn, dan is de kans groot dat de schenking in de gemeenschap van goederen valt. Dit is echter vaak niet het gewenste gevolg.

 

Bent u zich er dus tijdig van bewust van de wijze waarop een schenking plaats gaat vinden.

 

L.A.P. van Haperen

Einde partneralimentatie bij samenwoning (artikel 1:160 BW)

In de praktijk komt het geregeld voor dat er na een echtscheiding sprake is van partneralimentatie terwijl de ontvangende partij al geruime tijd een nieuwe relatie heeft en feitelijk samenwoont. Uiteraard heeft de alimentatiegerechtigde er belang bij dat de partneralimentatie blijft doorlopen, wat tot frustratie van de betalende partij leidt.

 

In een dergelijke situatie is het aan de alimentatieplichtige om te bewijzen dat de alimentatiegerechtigde samenwoont als waren zij gehuwd (artikel 1:160 BW). Dit blijkt in de praktijk nog niet zo eenvoudig te zijn. Het benodigde bewijs kan onder meer worden aangeleverd via een rechercherapport. Een nadeel hiervan is dat de kosten van een dergelijk rapport hoog kunnen oplopen. Wie gaat deze kosten betalen?

 

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft zich op 14 september 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:8115) uitgelaten over de vraag wie de kosten van een rechercherapport dient te voldoen. Het Hof heeft het volgende overwogen:

 

“Vooropgesteld wordt dat de marges van in het kader van artikel 1:160 BW door particuliere onderzoeksbureaus gemaakte kosten ruim zijn, mede gelet op de hoge motiveringseisen die gelden om tot een bevestigende beantwoording van de vraag te kunnen komen of er sprake is van ‘een samenleven met een ander als was zij gehuwd’. In dit geval heeft het recherchebureau gebruik gemaakt van een drietal onderzoeksmiddelen, te weten observatie, digitaal onderzoek en onderzoek op locatie – allemaal gebruikelijke onderzoeksmethoden die de nodige tijd vergen. Gelet op de aard van de zaak acht het Hof de in het rapport verantwoorde 50 uren observatie en 10 uren onderzoek op locatie niet buitensporig veel. De observaties zijn een belangrijk onderdeel van het onderzoek geweest en het doen daarvan is nu eenmaal een arbeidsintensieve aangelegenheid. Hetzelfde geldt voor de onderzoeken op twee verschillende locaties.

Het vorenstaande klemt temeer nu V – daar ter zitting expliciet naar gevraagd – niet heeft kunnen aangeven wat in haar ogen een redelijk bedrag zou zijn voor een onderzoek als het onderhavige. V is nog in de gelegenheid gesteld om het onderzoekdossier in te zien op het recherchebureau, maar die kans heeft zij onbenut gelaten. De mogelijk nadelige consequenties daarvan komen voor haar rekening en risico.

V heeft gesteld dat op basis van de waarnemingen van het recherchebureau in april 2015 reeds duidelijk was dat zij en X samenwoonden, zodat het deel van het onderzoek dat betrekking heeft op de periode daarna daarom onnodig is uitgevoerd. V miskent daarbij echter dat enkel gebruik maken van hetzelfde woonadres onvoldoende is om van samenleven als bedoeld in artikel 1:160 BW te kunnen spreken. Naar vaste rechtspraak is daarvoor immers tevens vereist dat sprake is van een duurzame samenleving en het vormen van een economische eenheid, en daarvoor gelden de hoge motiveringseisen zoals hiervoor vermeld. Aldus is niet gebleken dat de door M geclaimde recherchekosten om deze reden onredelijk hoog zouden zijn”.

 

Deze uitspraak kan aanleiding geven om sneller een recherchebureau in te schakelen om een vermoedelijke samenleving in de zin van artikel 1:160 BW aan te tonen. Uiteraard kunt u met ons kantoor vrijblijvend contact opnemen om de mogelijkheden voor een beëindiging van de partneralimentatie te bespreken.

L.A.P. van Haperen

Gemeenschap van goederen per 1 januari 2018

Voor een huwelijk gesloten voor 1 januari 2018 is de gemeenschap van goederen van toepassing, tenzij voorafgaande aan het huwelijk andere afspraken zijn gemaakt bij de notaris en deze afspraken zijn neergelegd in een akte van huwelijkse voorwaarden. Dit zal vanaf 1 januari 2018 anders zijn. Vanaf dat moment is er sprake van een beperkte gemeenschap van goederen. Echtgenoten kunnen er voor kiezen om voorafgaande aan het huwelijk de (volledige) gemeenschap van goederen van toepassing te laten. Daarnaast kunnen zij huwelijkse voorwaarden laten opmaken.

 

Wat is het verschil tussen de beperkte gemeenschap van goederen en de (volledige) gemeenschap van goederen?

 

Het belangrijkste verschil is gelegen in de gevolgen voor de goederen en schulden welke zijn ontvangen of ontstaan voorafgaande aan het huwelijk. Dit geldt dus voor speelgoed uit de kindertijd, cd’s en dergelijke, maar ook voor bijvoorbeeld een studieschuld. In de (volledige) gemeenschap van goederen vallen deze schulden en goederen in de gemeenschap. Bij de beperkte gemeenschap van goederen zijn deze schulden en goederen uitgezonderd van de gemeenschap. Ontvangsten vanuit een nalatenschap of schenking, ook als hier geen uitsluitingsclausule aan is verbonden, vallen per 1 januari 2018 niet meer in de gemeenschap.

 

Het verleden leert ons dat echtgenoten zich tijdens het huwelijk niet of nauwelijks iets aantrekken van de verschillende vermogens (privévermogens partners en gemeenschapsvermogen) waardoor de vermogens zich gaan ‘vermengen’. Dit is en blijft ook na 1 januari 2018 een bron van conflicten. Bij het einde van het huwelijk zal een discussie ontstaan over de vraag wie eigenaar is van de diverse goederen, uit welk vermogen de goederen zijn betaald en hoe er over en weer met elkaar ‘afgerekend’ moet worden. Om deze vragen te kunnen beantwoorden, is een goede financiële administratie noodzakelijk. Deze administratie ontbreekt vaak of is niet sluitend, waardoor er bewijsproblemen gaan ontstaan. Wie bij een echtscheiding stelt dat diverse goederen van hem/haar zijn, zal dat moeten aantonen. Kan dat niet worden aangetoond, dan bestaat het risico dat die goederen worden gerekend tot het gemeenschapsvermogen dat tussen de ex-echtgenoten moet worden verdeeld.

 

Voor deze blog gaat het te ver om alle verschillen te bespreken (vergoedingsrechten, de onderneming, verhaal van een privéschuld en de draagplicht hiervan e.d.).

 

Mocht u omtrent dit onderwerp en/of de verdere verschillen vragen hebben, dan kunt u vrijblijvend contact opnemen met ons kantoor om te bekijken wat uw positie is.

 

L.A.P. van Haperen