Indexatie alimentatie

Indexatie alimentatie

Ieder jaar wordt de alimentatie een stukje hoger, de zogenoemde indexering. De wetgever heeft bepaald dat iedere alimentatiebetaler verplicht is deze verhoging te betalen (tenzij partijen dit hebben uitgesloten). De gedachte achter de indexatie is gelegen in de situatie dat het salaris ieder jaar stijgt, maar ook de kosten van het levensonderhoud. Het percentage waarmee de bijdrage wordt verhoogd, wordt jaarlijks door de overheid vastgesteld.

Indexeringspercentage

Voor het jaar 2019 is het indexeringspercentage vastgesteld op 2%. Dit betekent dat de bijdrage (alimentatie) met ingang van 1 januari 2019 met 2% verhoogd moet worden.

Van belang is dat de indexering niet automatisch plaatsvindt. Het is belangrijk om dit als betaler zelf in de gaten te houden, omdat de indexatie met terugwerkende kracht (tot vijf jaar) kan worden gevorderd.

Partijen mogen de indexatie (voor een bepaalde periode of in het geheel) uitsluiten. Hierbij is wel van belang dat dat schriftelijk gebeurt. Dit kan interessant zijn als het loon niet jaarlijks meestijgt met het loon-/prijspeil. Daarnaast kunnen partijen een andere vorm van indexatie afspreken. Al met al voldoende reden om hierbij stil te staan bij het maken van afspraken rondom de kinder- en/of partneralimentatie. Een rechter kan eveneens worden gevraagd om de indexatie uit te sluiten, al komt dit niet vaak voor.

Vragen over de indexatie van alimentatie?

Mocht u benieuwd zijn of wij in uw situatie wat voor u kunnen betekenen, dan kunt u uiteraard voor een vrijblijvend adviesgesprek contact opnemen met kantoor. Voor het berekenen van de alimentatiebijdrage met indexatie kunt u kijken op de website van het LBIO (www.lbio.nl).

Linda van Haperen

Streep door 12 jaar partneralimentatie

Na de eerste poging van de politiek in 2015 om de duur van de partneralimentatie te wijzigen, is er eindelijk een vervolg op deze discussie. In eerste instantie is het plan om de partneralimentatie te wijzigen afgewezen, omdat veel partijen hier kritiek ophadden. Om deze reden is er een nieuw eenvoudiger wetsvoorstel aangekondigd.

Wat houdt dit nieuwe voorstel in?

De huidige maximale termijn van 12 jaar wordt teruggebracht naar 5 jaar. De gedachte is om de duur van de partneralimentatie gelijk te trekken aan de helft van het aantal huwelijksjaren. Bent u bijvoorbeeld 2 jaar getrouwd gewest, dan zal er 1 jaarpartneralimentatie betaald moeten worden.

Op deze regel zijn een drietal uitzonderingen:

1. Kinderen

Als er kinderen geboren zijn, kan de duur van de partneralimentatie gelijk worden gesteld tot het moment dat het jongste kind 12 jaar is geworden;

2. AOW-leeftijd

Als een huwelijk langer dan 15 jaar geduurd heeft, en op het moment van de scheiding binnen 10 jaar de AOW-leeftijd bereikt wordt, kan tot de AOW-leeftijd aanspraak gemaakt worden op partneralimentatie.

3. 50 jaar en ouder

Wie ouder is dan 50 jaar en langer dan 15 jaar getrouwd was, kan aanspraak maken op 10 jaarpartneralimentatie.

Helaas geldt het nieuwe voorstel alleen voor toekomstige scheidingen. De verwachting is dat, indien het wetsvoorstel daadwerkelijk goedgekeurd wordt, de wijziging per 1 januari 2020 in gaat. Verder moet er rekening mee worden gehouden dat kinderalimentatie altijd voor gaat op partneralimentatie. Is er na kinderalimentatie geen ruimte meer voor partneralimentatie, dan houdt het op.

De Tweede Kamer zal op korte termijn over dit voorstel gaan stemmen. Mocht de Tweede Kamer akkoord gaan met dit wetsvoorstel dan zal ook de Eerste Kamer haar stem nog uit moeten brengen. Het is dus nog even afwachten wat het uiteindelijke resultaat van de huidige discussie zal zijn.

Partijen mogen uiteraard in onderling overleg nu al afwijken van de 12 jaarstermijn. Partijen moeten het hier dan wel over eens zijn. Een uitgelezen kans om samen in mediation op dit punt overleg te voeren. Mocht u hier samen geen afspraken over kunnen maken, dan is het belangrijk om te weten dat een rechter nog altijd erg voorzichtig is in de verkorting van de partneralimentatietermijn.

Mocht u hier nog verdere vragen over hebben, dan kunt u uiteraard vrijblijvend contact opnemen.

mr. L.A.P. van Haperen

‘Golden Parachute’ ging niet open voor frauderende CFO

‘Golden Parachute’ ging niet open voor frauderende CFO

Contractuele ontslagvergoeding

Het komt regelmatig voor dat werknemers in de hogere echelons van bedrijven een vooraf bepaalde beëindigingsvergoeding laten opnemen in hun arbeidsovereenkomsten.

Met het opnemen van een dergelijke ‘golden parachute clause’ wordt voorkomen dat werkgever en werknemer in de toekomst moeten steggelen over de hoogte van een financiële vergoeding, wanneer de arbeidsovereenkomst tot een einde komt.

Het opnemen van een beëindigingsvergoeding in de arbeidsovereenkomst verdient aanbeveling vanuit het perspectief van de leidinggevende werknemer (bv. CEO, CFO of COO).

De statutair bestuurder van een Nederlandse vennootschap heeft een bijzonder rechtspositie. Voor deze werknemer geldt geen preventieve ontslagtoets. Reden temeer voor de statutair bestuurder om voorafgaand aan of tijdens het sluiten van een arbeidsovereenkomst de financiële gevolgen van een beëindiging van de arbeidsrelatie schriftelijk vast te leggen.

Deze contractuele afspraken zijn juridisch afdwingbaar, uitzonderingen daargelaten!

Uitspraak Kantonrechter d.d. 25 oktober 2018*

Onlangs heeft de Kantonrechter in een fraudezaak geoordeeld toekenning van een contractueel overeengekomen beëindigingsvergoeding naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.

Wat speelde er?

In deze zaak was na intern en extern onderzoek komen vast te staan dat er door de CFO meer dan € 100.000 aan privé uitgaven, zakelijk was gedeclareerd. Na het plegen van wederhoor werd de CFO op staande voet ontslagen.

De CFO is vervolgens een gerechtelijke procedure gestart. Naast de vorderingen verband houdende met het ontslag op staande voet, heeft de CFO de contractuele beëindigingsvergoeding gevorderd ter grootte van € 336.078,37. De CFO voerde aan  dat hij gerechtigd is tot dit bedrag, ongeacht de reden van de beëindiging van het dienstverband.

De Kantonrechter stelde in deze zaak voorop dat niet uit de tekst van de arbeidsovereenkomst bleek dat het de bedoeling van partijen is geweest, dat bij iedere opzegging – dus ook een opzegging wegens dringende reden/staandevoets ontslag – werknemer gerechtigd was tot de contractuele beëindigingsvergoeding.

De Kantonrechter voegde daar aan toe dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de werkgever een beëindigingsvergoeding van een dergelijke omvang zou moeten betalen, in het geval waarin er een terecht ontslag op staande voet is gegeven en de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

Conclusie

Het vooraf contractueel overeenkomen van een ontslagvergoeding verdient aanbeveling. Zeker als het gaat om de functie/positie van de statutair bestuurder. Slechts in uitzonderingsgevallen, zoals hiervoor geschetst, kan betaling niet worden afgedwongen.

* Rechtbank Amsterdam, sector kanton, d.d. 25 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7718

Auteur: Otto Lenselink

November 2018

Rechtsbijstandsverzekering en de vrije Advocaatkeuze

Rechtsbijstandsverzekering en de vrije Advocaatkeuze

Hoe ziet het precies met de rechtsbijstandsverzekering en de vrije advocaatkeuze? In mijn arbeidsrechtpraktijk word ik namelijk met regelmaat benaderd door werknemers met een rechtsbijstandsverzekering, die graag gebruik willen maken van mijn diensten als gespecialiseerd arbeidsrechtadvocaat. 

In eerste instantie gaat het vaak om het inwinnen van juridisch advies, zonder dat een gerechtelijke procedure aan de orde is.

Vragen die gesteld worden gaan bijvoorbeeld over dreigende loonsancties, eventuele ontslagmaatregelen, passend werk, conflicten of affaires met collega’s of een leidinggevende, re-integratietrajecten, de toepasselijkheid van een cao of de uitleg van bepalingen  uit de cao, schending van het relatiebeding of concurrentiebeding enzovoort, enzovoort.

Weigeren vergoeden advocaatkosten

Het is spijtig dat rechtsbijstandsverzekeraars op basis van de polisvoorwaarden weigeren om advocaatkosten te vergoeden, die betrekking hebben op de adviesfase. Dit stadium is namelijk vaak bepalend voor het verdere verloop en de uitkomst van de zaak.

Het afwijzen van aanvragen voor vergoeding van externe rechtsbijstand in de adviesfase is gebruikelijk. Ongeacht of het gaat om een polis die is afgesloten bij DAS Rechtsbijstand, ARAG, Stichting Achmea Rechtsbijstand (SAR), Univé Rechtsbijstand, Klaverblad Verzekeringen of ZLM.

Brengt een rechtsbijstandsverzekerde op eigen kosten de zaak toch onder bij een advocaat of jurist van zijn keuze, dan wordt zelfs het risico gelopen dat de verzekeraar, met verwijzing naar een uitsluitingsclausule in de polisvoorwaarden, geen enkele dekking meer biedt voor rechtsbijstand.

Schaduwdossier

Ter voorkoming dat in de adviesfase fouten worden gemaakt door de jurist van de verzekeraar of dat er uit kostenoverwegingen snelle oplossingen wordt gekozen met negatieve gevolgen voor de werknemer in kwestie, stel ik weleens voor om een ‘schaduwdossier’ aan te houden.

Op deze wijze blijf ik als advocaat op hoogte van de ontwikkelingen en kan ik tijdig ingrijpen of een ‘second opinion’ geven als er stappen worden gezet. Komt het tot een gerechtelijke procedure dan ben ik toch indirect betrokken geweest bij de voorfase en kan de zaak worden voortgezet in de gerechtelijke procedure, op kosten van de verzekeraar.

Rechtsbijstandsverzekeraars ontkomen namelijk niet aan de vrije advocaatkeuze en de kostenvergoeding van de door de verzekerde gekozen advocaat, voor het geval het tot een gerechtelijke procedure komt.

Verzekeraars informeren de rechtshulpbehoevende verzekerden zelden hier over. Standaard protocol is het binnen boord houden van de verzekerde bij de jurist van de verzekeringsmaatschappij of desnoods de advocaat die deel uitmaakt van het netwerkkantoor waar de verzekeraar op basis van vaste prijsafspraken zaken mee doet.

Luidt de conclusie dat u als werknemer geen rechtsbijstandverzekering moet afsluiten?

Wat mij betreft zeker niet. De maandelijkse premielast van een rechtsbijstandsverzekering is beperkt. De kosten van een advocaat zijn fors. De uurtarieven van gespecialiseerde advocaten beginnen doorgaans bij € 200,- per uur, exclusief kantoorkosten, exclusief BTW. Komt het tot een procedure dan lopen de advocaatkosten al vlot in de duizenden euro’s.

Voor een werknemer met een modaal inkomen vormen advocaatkosten een fikse aanslag op de portemonnee. Deze kosten worden bij een toegewezen vordering hoogstens ten dele gecompenseerd door de proceskostenveroordeling waarin de in het ongelijk te stellen partij doorgaans zal worden veroordeeld. De werkelijke advocaatkosten zijn vaak vele malen hoger.

Let bij het sluiten van de rechtsbijstandsverzekering wel op dat arbeidsgeschillen ook onder de dekking vallen. Menig verzekeraar heeft dit niet opgenomen in het basispakket. Sluit de verzekering ook tijdig, dus niet op het moment dat een geschil speelt of aanstaande is.

Conclusie – sluit een rechtsbijstandsverzekering af

Conclusie; het is voor een particulier doorgaans raadzaam om een rechtsbijstandsverzekering te sluiten, zodat de advocaatkosten in ieder geval gedekt zijn voor het voeren van een procedure.

Betrek in arbeidszaken in een zo vroeg mogelijk stadium een gespecialiseerd arbeidsrechtadvocaat, aangesloten bij de Vereniging Arbeidsrecht Advocaten Nederland (VAAN).

Hebt u vragen over het arbeidsrecht of wilt u rechtsbijstand, aarzel dan niet contact op te nemen. Een eerste gesprek is vrijblijvend en kosteloos.

Mr. Otto Lenselink

Breda, Oktober 2018

Wat kun je doen als je je kleinkind niet mag zien?

Wat kun je doen als je je kleinkind niet mag zien?

Als opa en/of oma heeft u iedere week op de kleinkinderen gepast, maar na de scheiding van de ouders mag u het kleinkind niet meer zien. Helaas komt deze situatie vaker voor. Uit onderzoek van TNS NIPO blijkt dat bij 53% van de grootouders het contact met de kleinkinderen na de echtscheiding duidelijk anders wordt. Daarom behandelen we de vraag: Wat kun je doen als je je kleinkind niet mag zien?

Wat kun je doen als je je kleinkind niet mag zien

Wat als dit verleden tijd is? Als u uw kleinkind niet meer mag zien?

In het leven van de kinderen spelen opa’s en oma’s vaak een belangrijke rol. Voor kinderen is het dan ook ontzettend belangrijk dat er contact blijft. Meestal blijven de grootouders na de echtscheiding een stabiele en veilige factor voor de kinderen. Juist in de moeilijke periode van een scheiding hebben kinderen behoefte aan een luisterend oor en kunnen zij extra aandacht goed gebruiken. Daarnaast kunnen grootouders kinderen op tal van manieren helpen bij de verwerking van deze heftige periode.

Geen omgangsrecht tussen grootouders en kleinkinderen

Helaas voorziet de Nederlandse wetgeving niet in een omgangsrecht tussen grootouders en kleinkinderen. Dit betekent niet dat u met lege handen staat! Ouders zullen met elkaar afspraken moeten maken over de kinderen. Deze afspraken kunnen worden neergelegd in een zogenoemd ouderschapsplan. In dit plan worden vaak ook afspraken gemaakt over het contact van de kinderen met andere familieleden.

Omgangsregeling vragen aan rechter

Ondanks dat er geen wettelijk recht op omgang met de kleinkinderen bestaat, kunnen grootouders aan de rechter vragen om een omgangsregeling vast te stellen. Op basis van vaste jurisprudentie is van belang dat grootouders kunnen aantonen dat zij  een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ met het kind hebben. Hiervan kan sprake zijn als er al voorafgaande aan de scheiding structureel en regelmatig contact was met de kleinkinderen (bijvoorbeeld één dag per week oppassen).

De rechter zal een afweging maken tussen het belang van het betreffende kind en de grootouders. Het belang van het kind staat altijd voorop.

Vrijblijvend adviesgesprek

Mocht u benieuwd zijn of wij in uw situatie wat voor u kunnen betekenen, dan kunt u uiteraard voor een vrijblijvend adviesgesprek met kantoor contact opnemen. Onze advocaten leggen zich namelijk toe op het personen- en familierecht.

Auteur: Linda van Haperen

Verbleken behoefte

Verbleken behoefte – verbleking van de behoefte

Bij het onderwerp partneralimentatie binnen het personen en familierecht horen diverse lastig definieerbare begrippen, waaronder ‘verbleken van de behoefte’.

Op het moment dat er sprake is van een behoefte aan partneralimentatie, dat wil zeggen een bedrag dat nodig is om in het eigen levensonderhoud te voorzien waarbij rekening gehouden wordt met de levensstijl tijdens het huwelijk, wordt door de andere partner nog al eens beroep gedaan op verbleking van de behoefte.

De behoefte kan door tijdsverloop na de echtscheiding verbleken. Hiermee wordt bedoeld dat de behoefte als gevolg van het verstrijken van jaren na de echtscheiding minder kan worden of zelfs helemaal verdwenen kan zijn. Dat een beroep op verbleking in de rechtspraak niet snel aanvaard wordt, blijkt onder meer uit de recente uitspraak van de Hoge Raad van 15 juni 2018 en de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juni 2018. Volgens het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is een enkel tijdverloop van negen jaar niet voldoende om aan te nemen dat de behoefte verbleekt is. Het gewend raken aan een lagere inkomenssituatie is onvoldoende om aan te nemen dat de betreffende partner geen noodzaak meer heeft bij een eerder opgelegde bijdrage in de kosten van levensonderhoud (partneralimentatie).

Uit de recente rechtspraak kunnen we dus opmaken dat er, wil er sprake zijn van verbleking van de behoefte, er meer aan de hand moet zijn dan alleen verloop van tijd.

Verbleking van de behoefte – bijzondere omstandigheden

Onder bijzondere omstandigheden kan wel degelijk sprake zijn van verbleking van de behoefte. Hierbij kan gedacht worden aan de duur van het huwelijk, hoe partijen invulling hebben gegeven aan de huwelijkse jaren, de aanwezigheid van kinderen en het gedrag van de  alimentatiegerechtigde. Daarnaast zijn er nog diverse andere gronden om de partneralimentatie te wijzigen.

Mocht u benieuwd zijn of in uw situatie er redenen aanwezig zijn om de partneralimentatie opnieuw te laten beoordelen, dan kunt u uiteraard voor een vrijblijvend adviesgesprek met kantoor contact opnemen.

Linda van Haperen

Ouderschap en samenwoners

Voor samenwoners is het juridisch ouderschap niet automatisch door de wet geregeld. Tijdens de periode van samenleven levert dit niet of nauwelijks problemen op omdat ouders dan nog goed in staat zijn om samen beslissingen te nemen. Het probleem doet zich vaak pas voor als ouders uit elkaar zijn of gaan.

 

Bij een huwelijk en een geregistreerd partnerschap zijn de erkenning en het gezamenlijk gezag vanuit de wet geregeld. Vanuit die positie zijn ouders in juridische zin vanaf de geboorte van het kind gelijkwaardig.

 

Van belang is dat er een drietal verschillende vormen van ouderschap bestaan:

–   biologische ouder;

–   juridische ouder;

–   verzorger/voogd.

 

Deze drie vormen hoeven niet noodzakelijkerwijs samen te vallen. Zo kan het zijn dat een juridisch ouder of de verzorger niet de biologische ouder is.

 

Bij samenwoners is het van belang dat een moeder direct bij de geboorte al juridisch moeder is en het gezag over het kindje heeft. Voor de andere ouder ligt dit anders. Deze moet, om voor de wet als juridisch ouder te worden gezien, nog actie ondernemen. Als moeder toestemming geeft voor de erkenning en de partner aan de overige eisen voldoet, dan kan de erkenning plaatsvinden bij de gemeente (dit kan ook al tijdens de zwangerschap). Geeft moeder geen toestemming, dan kan de rechter gevraagd worden om vervangende toestemming te geven waarna het kindje mogelijk alsnog erkend kan worden.

 

Als de erkenning geregeld is, dient er vervolgens nog een actie te worden ondernomen om het gezamenlijk gezag te verkrijgen. Dit kan heel simpel geregeld worden de ouders kunnen samen digitaal het gezamenlijk gezag aanvragen via de website van de www.rechtspraak.nl. Mocht moeder niet mee willen werken, dan kan ook hier de rechter weer uitkomst bieden als deze het gezamenlijk gezag uitspreekt. Als het gezag geregeld is zijn ouders voor de wet in beginsel als ouder gelijkwaardig.

 

Een en ander lijkt veel werk, maar is in de praktijk (als beide ouders het eens zijn) snel geregeld. De ervaring leert dat het beter is om deze zaken al tijdens de relatie te regelen en niet pas achteraf. Dat kan een hoop ellende voorkomen.

 

Tot slot zijn er nog diverse mogelijkheden omtrent het vernietigen van de erkenning en het beëindigen van het gezamenlijk gezag. Mocht u daarover vragen hebben, of over de mogelijkheden om de rechter te benaderen omtrent de vervangende toestemming voor de erkenning of het verzoek omtrent gezamenlijk gezag, dan kunt u uiteraard vrijblijvend met mij contact opnemen.

 

 

L.A.P. van Haperen

Geef kinderen wortels om te groeien en vleugels om te vliegen

De belangrijkste taak voor ouders is het geven van wortels en vleugels aan hun kinderen. Het geven van wortels kan door de kinderen te laten weten dat je onvoorwaardelijk van ze houdt, wat er ook zal gebeuren. Het op eigen benen laten staan, de zogenaamde vleugels, is een lastiger onderdeel.

Op het moment dat ouders gaan scheiden, kan dit gevolgen hebben voor de wortels van een kind. Als er sprake is van een scheiding, dan kan het lastig zijn om je bezig te houden met de wortels en vleugels van de kinderen. Het is op voorhand niet te voorspellen hoe een kind reageert op de echtscheiding. Het ene kind klapt dicht en een ander kind wordt juist weer erg aanhankelijk.

Voor ouders is het van belang om zich te verplaatsen in hun kinderen. De wortels van de kinderen worden opeens bedreigd. Vaak hebben zij allerlei vragen: ‘Gaat mama ook bij mij weg?’, ‘Het is vast mijn schuld?’, ‘Ga ik papa nog wel zien?’, ‘Waar ga ik wonen?’. Het is dus niet zo gek dat kinderen in de war zijn en/of zich schuldig of gekwetst voelen.

Hoe ga je hier als ouders het beste mee om? Belangrijk is om de echtscheidingsperiode zo kort mogelijk te laten duren en als ouders samen de beslissingen aangaande de kinderen te nemen. Om dit te bereiken, kan een mediator handvatten geven en dit proces begeleiden.

Tijdens het mediationtraject is het de bedoeling dat beide echtgenoten de partnerrol loslaten, maar dat zij eveneens de ouderrol verder samen in gaan vullen. Dat is niet altijd even makkelijk. Een mediator kan in dit proces een hele belangrijke rol spelen. Dit alles om te voorkomen dat de kinderen ontworteld raken en dit gevolgen kan hebben voor hun (toekomstige) vleugels.

Ons kantoor biedt de mogelijkheid om samen in mediation te gaan. Zowel Marcel van Dooren als Linda van Haperen kunnen optreden als mediator. U bent uiteraard samen welkom voor een vrijblijvend intakegesprek (half uur). Ook voor het verkrijgen van nadere informatie omtrent het mediationtraject kunt u contact met ons kantoor opnemen.

 

Linda van Haperen

Woningsluiting door burgemeester tegengehouden

In de editie van BN De Stem van 6 december 2017 stond een leuk artikel met de titel Burgemeesters zijn te gretig met sluiten van ‘drugspanden’, waarin aandacht wordt gevraagd voor het feit dat burgemeesters – wanneer er drugs in een woning worden aangetroffen – te snel naar hun bevoegdheid grijpen om de woning voor – minimaal – drie maanden te sluiten. Dit zonder alle negatieve gevolgen die de sluiting van de woning voor de bewoners heeft in het besluit (goed) mee te wegen.

 

Op 11 december jl. had ik eveneens een zaak waarbij de burgemeester gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid een woning te sluiten. Wat was het geval? Op 27 november 2017 was er in de woning van cliënt, op een zolderkamer en in de badkamer harddrugs aangetroffen. Deze drugs waren een dag eerder door de zoon de woning binnengebracht en naar de zolderverdieping genomen. Op het moment dat de politie de woning binnenviel, heeft de zoon een deel van de harddrugs meegenomen naar de badkamer, met als doel de drugs door het toilet te spoelen. Cliënt, een 80-jaar oude, dementerende man, wist niets van de acties van zijn zoon af. Zijn zoon verbleef ook niet in de woning, hij is zwervend en is op 26 november 2017 bij zijn vader aan komen lopen, met het verzoek om eenmalig in de woning te overnachten.

 

Op 29 november 2017 valt er een brief van de burgemeester op de mat bij cliënt. De burgemeester heeft besloten om de woning voor drie maanden te sluiten. Cliënt krijgt tot 6 december 2017 te 10:00 uur de gelegenheid om zijn woning te ontruimen, daarna zal de gemeente de cilinders van de sloten vervangen, zodat cliënt geen toegang meer kan krijgen tot zijn woning. Omdat er volgens de burgemeester sprake is van ‘zodanige spoedeisendheid’, wordt cliënt geen gelegenheid gegeven om een zienswijze in te dienen. Een kort geding zitting is het enige redmiddel om het besluit van de burgemeester tegen te kunnen houden (juridisch gezegd: om het besluit te schorsen).

 

Op 11 december 2017 vindt de kort geding zitting plaats, waarin ik namens cliënt heb verzocht om het besluit van de burgemeester te schorsen. En met succes! In de uitspraak overweegt de voorzieningenrechter:

 

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester in het bestreden besluit hieraan ten onrechte geen aandacht besteed. Met name is niet onderzocht of aan verzoeker en zijn echtgenote gezondheidsschade wordt toegebracht, indien zij de woning voor drie maanden moeten verlaten. Dat had wel gemoeten, vanwege hun medische situatie en hun leeftijd. Evenmin is onderzocht of voor hen een passende opvang kan worden geboden bij familie, terwijl dit zeker geen vanzelfsprekendheid is. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zullen de persoonlijke omstandigheden van verzoeker en zijn echtgenote maken dat sluiting van de woning onevenredig zal zijn in verhouding met het doel daarvan. De voorzieningenrechter ziet in de bijzondere omstandigheden dan ook aanleiding het bestreden besluit te schorsen”.

 

Cliënt mag dus (voorlopig) in de woning blijven wonen. De burgemeester zal – met de uitspraak van de voorzieningenrechter in het achterhoofd – in de lopende bezwaarprocedure aan de bak moeten mocht hij zich op het standpunt blijven stellen dat de woning voor drie maanden gesloten moet worden. Cliënt en ik zien die procedure in ieder geval met vertrouwen tegemoet.

 

W.A.J.A. Welten

Geven met warme hand; let wel even op de koude kant

Nu de feestdagen bijna voor de deur staan, wordt er in menig gezin weer nagedacht over de schenkingen. Ondanks dat ik de feestvreugde niet wil bederven, is het toch belangrijk om goed na te denken over de wijze van schenken.

 

Op het moment dat een schenking gedaan wordt zonder uitsluitingsclausule, dan valt deze schenking in een gemeenschap van goederen (voor zover deze aanwezig is). Voor huwelijken gesloten vanaf 1 januari 2018 zal zich in beginsel geen probleem voordoen, omdat schenkingen vanaf die datum niet meer in de gemeenschap van goederen vallen. Ook voor die situaties is het wel van belang dat bewijsstukken (betalingsbewijs en dergelijke) bewaard worden.

 

Maar wat nu als je al jaren met de feestdagen schenkingen ontvangt en besluit te gaan scheiden? Wat gebeurt er dan met deze schenkingen?

 

In die situatie is van belang welke stukken nog aanwezig zijn. Zijn er schenkingsakten aanwezig met een uitsluitingsclausule, dan is een schenking snel bewezen. Als er met de gelden van de schenkingen schulden van de gemeenschap zijn voldaan, dan ontstaat er een repriserecht. Dit betekent dat één van de echtgenoten dan een vordering op de gemeenschap heeft. Indien de gemeenschap dan nog een ruim positief saldo heeft, dan kan de vordering vanuit de gemeenschap voldaan worden. Zijn er onvoldoende middelen, dan zal de vordering in beginsel niet geïnd kunnen worden. Is met de schenking een vordering van de andere echtgenoot voldaan, dan kan er een vordering op deze echtgenoot ontstaan.

 

Een dergelijke gang van zaken geldt ook indien voornoemde schenkingsakten niet aanwezig zijn, maar uit de omschrijving van de schenking blijkt dat de schenking buiten de gemeenschap van goederen valt. Bij contante schenkingen is dat wat lastig, maar bij een overboeking kan een dergelijke omschrijving wel vermeld worden.

 

Mocht er niets geregeld zijn, dan is de kans groot dat de schenking in de gemeenschap van goederen valt. Dit is echter vaak niet het gewenste gevolg.

 

Bent u zich er dus tijdig van bewust van de wijze waarop een schenking plaats gaat vinden.

 

L.A.P. van Haperen