ALIMENTATIE
In deze zaak had de man al enige tijd het vermoeden dat zijn ex-vrouw samenwonend was met haar nieuwe vriend, hetgeen voor de man mogelijk vergaande consequenties zou kunnen hebben in verband met zijn verplichting tot betaling van een aanmerkelijk bedrag aan alimen-tatie (€ 2.500,00 per maand). Een voorzichtige suggestie in die richting werd door de ex-vrouw met verontwaardiging van de hand gewezen. Van samenwoning was geen sprake, hooguit kon worden gesproken over een vriendschappelijke relatie.
Maanden verstreken en de twijfels bij de man namen toe. Op dagen dat hij naar zijn ex-vrouw afreisde om daar zijn kinderen op te halen was de nieuwe vriend van de vrouw nagenoeg al-tijd aanwezig en de man kreeg meer en meer de indruk dat de vriendschappelijke relatie tussen zijn ex-vrouw en haar nieuwe vriend beduidend meer betekende dan uitsluitend vriendschap. Teneinde meer zekerheid te verkrijgen besloot de man om een recherchebureau in te schakelen. Het rapport van dit bureau maakte duidelijk dat de nieuwe vriend nagenoeg dagelijks bij zijn ex-vrouw verbleef, daar soms overnachtte, meehielp in de huishouding, etc. Allemaal indicaties van samenwoning, maar toch waarschijnlijk onvoldoende om een rechter er van te overtuigen dat daadwerkelijk sprake was van samenleving in de zin van het bepaalde in artikel 1:160 BW. Derhalve besloot de man om af te wachten. En zijn geduld werd beloond.
Enkele maanden later werd de man verrast door een brief van de (voormalige) nieuwe vriend van zijn ex-vrouw, die hem bevestigde dat hij met haar had samengeleefd gedurende een periode van ongeveer twee jaar. De reden van deze verrassende brief was gelegen in het feit dat de nieuwe vriend van mevrouw door haar de deur was gewezen. De brief was derhalve gebaseerd op rancune.
In de daaropvolgende procedure hebben rechtbank en hof beide uitgemaakt dat de man met ingang van de datum van samenleving was bevrijd van zijn alimentatie-verplichting ten opzichte van zijn vroegere vrouw. Eenvoudig was deze procedure niet. Als criteria voor samenleving als bedoeld in artikel 1:160 BW gelden volgens vaste rechtspraak:
a. de duurzaamheid van de affectieve relatie;
b. het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;
c. wederzijdse verzorging.
Pas indien aan deze criteria is voldaan is sprake van samenleven als bedoeld in artikel 1:160 BW, en zal de onderhoudsbijdrage van de gewezen echtgenoot van rechtswege vervallen. Na-genoeg steeds is sprake van een aanmerkelijke bewijslast, waaraan lang niet altijd kan worden voldaan.
In de onderhavige situatie had de vrouw een en ander kunnen voorkomen door, overeenkomstig het daartoe gestelde in het met de man gesloten echtscheidingsconvenant, de man tijdig te informeren van haar voornemen om met haar nieuwe vriend te gaan samenwonen. In welk geval zij gedurende een periode van ten hoogste zes maanden (proefperiode) had kunnen bezien of haar nieuwe relatie duurzaam was, en afhankelijk daarvan had kunnen besluiten om de nieuwe relatie al dan niet te doen eindigen, en mogelijk daarna opnieuw aanspraak had kunnen maken op een bijdrage in haar levensonderhoud. Maar de inhaligheid van de vrouw was te groot. Met als gevolg een definitieve beëindiging van de alimentatieplicht van haar ex-man.
mr. M.A.M. van Dooren
TOP
|